Een park in Bussum Zuid

Ik loop of fiets inmiddels bijna 22 jaar dagelijks door het park, naar de trein, naar mijn werk naar het dorp, richting de hei en het bos. Of zomaar gewoon voor mijn 10.000 stappen als ik weer eens gezond probeer te doen. Ik zie de kinderen sleeën van de berg in het park. Een bijzondere plek  als het sneeuwt. Ze komen er zelfs uit de villawijk speciaal voor naar ons parkje, met hun moeders in grote auto’s die een beetje raar afsteken tegen de kleine auto’s en busjes die de buurt normaal bevolken. Ik zie de bewoners uit het verzorgingshuis  dat aan de grens van het park staat. In de lente lopen ze voorzichtig een rondje achter de rollator of in de rolstoel die geduwd wordt door een vrijwilliger of stagiaire met een montere glimlach of een partner of kind met meestal een iets minder montere oogopslag.

In de zomer liggen families in lange gewaden onder de bomen in het gras.

Vaak hangen ’s avonds op bankjes en de muurtjes jongeren terwijl ze roken, muziek te luisteren en dingen te doen die door de jaren heen steeds andere namen hebben. De laatste die ik ken is chillen. Soms zitten ze er alleen maar vreselijk verliefd te zijn waardoor ik dan ontroerd thuis kom. Er lopen mensen met vechthonden die ik eng vind en die mij dan geruststellen, Tenzij ze heel stoned zijn dan zien ze me niet schrikken en de hond gelukkig ook niet. Er fietsen goed geconserveerde gepensioneerden met tennisrackets uit de betere wijken op weg naar de sportvelden. Er lopen prachtige jonge goden in strakke witte broeken, allemaal hetzelfde petje met grote knuppels  en sporttassen op hun schouders naar de training voor honkballen. Regelmatig zie ik buren er met een emmer en grijptang de boel schoonmaken. Het is zo normaal allemaal dat ik vaak niet zie hoe bijzonder deze plek is in mijn leven. En al zo lang. Het is wellicht voor mij wel de meest vertrouwde plek voor mij in mijn woonplaats Bussum.

En deze week lag er iemand op een bankje. Midden op de dag. Hij lag heel stil. Een supermarktwagentje vol spullen naast de bank. Ik liep toch maar even langs, Om te kijken of hij, nog ademde. Mijn vingers om mijn sleutelbos met het beademingingsmasker van de EHBO training. Ik zag zijn borst op een neer gaan toen ik langs liep. Ik was nog maar 10 meter verder toen ik achterom keek en de man, zo te zien van mijn leeftijd, zag staan en naar me kijken. “Hee”, zei ik. “Je bent wakker, ben je oké?” Hij lachte vriendelijk en ik zag zijn bruine bijna zwarte gebit. “O, ja”, zei hij. Hij bleek op zijn nieuwe slangen leren riem te wachten. Die moest uit China komen en ja, dat ging wel even duren, gezien de huidige staat van de wereld. Hij werd gelukkig goed verzorgd terwijl hij knikte naar een tasje van de groenteboer, die wij thuis de Groenten Juwelier noemen, vol met eten, dat voor de bank op de grond stond. Er zijn lieve mensen die naar mij omkijken, Hij knikte blij. “Woon je hier?” Vroeg ik. En ja, dat klopte. Hij was sinds kort dakloos. Dacht hij. Iets van vijf dagen maar zijn moeder had gezegd dat het al zeker twee weken was. Maar het zou allemaal wel lukken, hoor.  Als zijn bewindvoerder maar gewoon die 40 euro per week bleef storten, dan redde hij het wel want hij had nog 900 duizend euro aan goud in zijn broek zitten maar dat mocht niemand weten want dat had hij nodig als hij toch weer pijn aan zijn tanden zou krijgen. We zuchten samen over de kosten van de tandarts tegenwoordig.

“Kom”, zei hij monter, “je moet niet hier blijven hangen anders mis je de trein” .

En hij ging weer liggen op een bundel textiel, sloot zijn ogen en glimlachte tevreden.

Ik liep door en moest denken aan zijn moeder. En hoe gruwelijk veel zorgen ze moest hebben over de veiligheid van haar kind.  Ik bleef het tasje maar zien met eten van de chique groenteboer van de lieve mensen. Die omkeken naar hem. En ik hoopte maar dat zijn moeder dat ook wist.

 

Siska de Rijke