Bed, bad, brood
De man staat vlak naast mij en ik ruik dat hij problemen heeft met zijn gebit.
Ineens begrijp ik waarom er overal in de grote hal, de korstjes van het brood liggen.
Dat is niet te kauwen zonder tanden en kiezen. Hoef je ze echt niet allemaal kwijt te zijn. Het is helemaal niet te doen als er ontstekingen bij komen. Dan doet de hele dag je mond pijn. Zeker wanneer je er iets in stopt. En je denkt dat je sterfproces is ingezet als je moet kauwen. Morfine, schreeuwt alles in je. Maar je moet het doen met paracetamol. Of als je mazzel hebt krijg je brufen. Dat helpt beter.
Dat weet ik inmiddels allemaal uit eigen ervaring. Ik denk er aan als ik de man in zijn ogen kijk en we iets van een gesprek hebben. Zover mogelijk want we spreken elkaars taal niet. Hij stond net te schreeuwen tegen een andere bewoner. Ik probeer hem af te leiden. Hij kan mij niet duidelijk maken waarom hij schreeuwt. Maar ik ruik zijn mond. En ik zie zijn ogen. Boos, moe, verdrietig.
Ik stond dit voorjaar ook te schreeuwen in de tandartspraktijk. Of ze me godverdomme absoluut wilden helpen. Omdat ik pijn had. En ik zo moe was van de pijn. Niet alleen de pijn in mijn tanden, maar alle pijn. Alle angst, al het verdriet dat ik afgelopen jaren heb gezien en ervaren. De inleiding tot deze tijd. De wereld staat in de fik. En we branden samen. Enkel lijkt niemand dat bijna echt te beseffen. Ik weet vaak niet meer waar ik moet beginnen met blussen. Maar begin iedere keer maar met mijn binnenbrandjes. Met matig resultaat. Maar soms werkt het.
De man kalmeert. Ik hoef er niets voor te doen. Enkel naast hem te staan. Hem te zien, zou je heel modern kunnen zeggen. De verbinding zoeken, roept het jargon. Ik denk anders. Ik weet dat ik hem niet alleen moet zien. Maar hem vooral moet willen ruiken. En dan in mijn blik leggen dat ik niet anders ben. De verbinding bestaat uit niets meer dan dat we op dat moment het zelfde doen.
Dus ik sta enkel naast hem, we delen samen eten uit. Hard bruin fabrieksbrood dat al oud is als je het uit de verpakking haalt. De gemeente is verantwoordelijk voor bed bad, brood. En neemt dat letterlijk. Want zo, hoorde ik deze week in een andere gemeente: het beleid is dat we niet gaan pamperen. Want mensen moeten niet denken dat het hier het Paradijs is.
Uiteraard werden deze woorden uitgesproken door iemand die niet verder komt dan teksten uitkraaien als “wat mensen nodig hebben is het gevoel gezien te worden” en “we sturen op de verbinding.” Om vervolgens naar het volgende belangrijke overleg gaat, mij verlatend met de woorden dat het Fantastisch is wat ik en mijn vrienden allemaal doen. Zo blij met ons.
Ondertussen maak ik mij op voor mijn toekomst waarin ik als ik niet meer naar de wc kan mij moet hullen in een 24-uurs luier.
Dat zal best even wennen zijn. Maar als oorspronkelijke bewoner van dit land word ik dan nog wel gepamperd. Dat is misschien een mooi vooruitzicht. Maar ik voel de morele stress al in mijn strot omhoog stuwen. Het zuur vermengt zich met het bitter.In bad gaan zal dan er waarschijnlijk ook niet meer inzitten. Laat staan een douche.
Maar lees ik op de pagina van Kassa waar mensen vertellen hoe ze moeten bezuinigen omdat hun energierekening van 130 maar 650 euro is gegaan met een inkomen van 1653 euro, met deo en droogshampoo, hoef je eigenlijk niet meer te douchen.
Zo zie je maar, hoor ik een opgeruimde Omdenker in mijn chique omgeving kirren: “het is allemaal een kwestie van hoe je er naar kijkt: het glas is halfvol of halfleeg”
En dat ik mij dan moet inhouden om niet het glas recht in het gezicht te gooien. Nadat ik er nog even mijn zure oprisping in gekwat heb. Want dat soort dingen doe ik.
Al zou ik heel graag anders willen.
De man en ik ruimen op. Iedereen heeft zijn eten gehad.
En iedereen kan naar bed nu.
We nemen afscheid met een glimlach.
Ik weet niet wanneer we elkaar weer zien.
Siska de Rijke





