Soep
Maandagochtend. Leek het vorige week, of eigenlijk eergisteren nog lente, inmiddels is het weer herfst. Ik fiets in de stromende regen om 8.30 door het dorp. Op weg naar mijn vrijwilligerswerk op de Nieuwkomersschool. Dat is nog een heel avontuur. Ik vloek en ik tier. En haat de mensheid. Gemotoriseerde bakfietsen die minimaal 30 kilometer per uur rijden met bellende vaders of kirrende moeders, fatbikes met slaperige pubers, scholieren op gewone fietsen met oortjes in met z’n drieën naast elkaar. Grote auto’s die steeds breder worden in file richting de snelweg. Her en der een wandelende Gooise vrouw met loslopende labrador, teckel of in mijn buurt: vechthonden. Ik lijk nergens meer tussen te passen, moet alsmaar ontwijken en remmen.
In mijn fietstas rinkelt een grote soeppan, lepels, snijplanken, schorten en kookboeken. We gaan zo soep maken. Ik ben benieuwd. Het is Ramadan. Daar was bij de planning even niet bij stilgestaan. Maar gelukkig blijken alle kinderen gewoon te eten vandaag. We beginnen lekker vroeg. Zodra de groenten bezorgd zijn gaan we snijden met z’n allen. In alle culturen kennen ze soep. “Borsjt!”, roepen de Oekraïense kinderen en hun ogen stralen. Die gaan we alleen niet maken. We maken Hollandse Groenten Soep zonder ballen om lekker Vega te blijven. Dan zit we ook goed op halal gebied.
“Iek, groenten”, rillen een flink aantal kinderen in de klas.
En ik herinner me mijn zoon die op deze leeftijd groentevegetariër werd maar soep meestal wel at.
Als alle groenten gesneden zijn en in de bouillon zijn gegooid én alle vingers heel zijn gebleven, gaan we warme chocomelk halen uit de automaat van de juffen. Dat mag eigenlijk niet. Maar het is feest. Langzaam maar zeker geurt de hele klas en niet lang daarna de hele school naar soep. De kinderen gonzen gezellig, de juf oefent de namen van de groenten met de kinderen. De kinderen die al langer hier zijn kennen ze allemaal. Maar de nieuwkomers moeten nog even wennen maar pikken het snel op. De kleine man die pas vier weken in Nederland is doet dapper mee maar hij moet nog zo wennen. Dat straalt hij aan alle kanten uit. Hij komt uit een land in oorlog. We kunnen slechts raden naar wat hij allemaal heeft gezien en meegemaakt. Hij wil er niet over praten, is ons verteld. Maar dat praten gaat sowieso niet want hij kan nog geen Nederlands en als je één ding heel snel leert wanneer je met vluchtelingen werkt, is dat je niet praat over wat er allemaal gebeurd is. Dus niets vraagt. Totdat de verhalen komen.
De ogen van de nieuwe leerling staan altijd alert of staren voor zich uit. Maar als hij op de step over het schoolplein rijdt zie je een glimlach rond zijn mond en kijken de ogen vrolijk de wereld in. Langzaam zien we hem dus wel “landen” zoals dat heet. Dapper went hij ook weer aan ons. Deze ochtend blijven zijn ogen stralen. Hij houdt duidelijk heel veel van soep. Hij kan ook heel goed groenten snijden. Met zijn 9 jaar hakt hij de tomaten in keurige even grote blokjes. Hij helpt mij met roeren en knikt goedkeurend. We laten de soep lekker lang trekken. Pas na 3 uur gaan we proeven. De kleine man eet 2 grote koppen. Zijn wangen blozen nu mee met zijn ogen. Na het eten komt hij naar me toe, slaat zijn armen om mijn buik en legt zijn hoofd met een tevreden glimlach tegen mij aan. Als een kat die kopjes geeft, hij spint nog net niet.
De juf en ik kijken elkaar aan en schieten allebei vol.
“Daar doen we het voor”, zegt ze. Ja. Daar doen we het voor.
Snel vegen we ons ogen af. En gaan over tot de orde van de dag.
Maar de hele dag ruik ik de soep in mijn kleren en zie ik het innig blij kind. En is het helemaal niet meer zo erg dat het zulk rotweer én een slechte wereld is én de mensheid niet te redden.
Zolang er soep is, is er hoop.
Siska de Rijke





