Van baboe & baker naar baboesjka en buurvrouw

Toen Rusland bijna vier jaar geleden Oekraïne binnenviel, kwamen talloze moeders met hun kinderen naar Nederland. Kinderopvang? Daar hadden gemeenten en instanties geen tijd, geld of visie voor. “Dat moeten die moeders maar onderling regelen.”

Vol verbijstering zat ik aan overlegtafels met vertegenwoordigers van gemeente, welzijnsorganisaties en stichtingen die halsoverkop waren opgericht. Sommige “redders” haalden vluchtelingen op in hun Tesla’s om ze vervolgens onder te brengen in leegstaande kantoorpanden op tochtige industrieterreinen — vastgoed van bekenden, dat voor veel geld aan gemeenten werd verhuurd.

Ondertussen werd er massaal oude kleding ingezameld, alsof deze moeders geen koffers met kleding bij zich hadden. Of geen geld om zelf iets te kunnen kopen. In het begin glimlachte ik erom. Al snel wist ik dat ik hier mijn ei niet kwijt zou kunnen.

Al snel kwam ik direct in contact met de Oekraïense vrouwen zelf. Samen met een aantal buren en bekenden hadden we ons gemeld bij de instanties. We hadden tijd, geld en netwerk over en boden praktische hulp aan. Een van hen, werd meteen een hartsvriendin. Een keurige Gooise Oude verpleegkundige met een onwrikbaar rechtvaardigheidsgevoel en liefde voor medemensen: “Noem ze geen vluchtelingen,” zei ze streng. “Het zijn ontheemden.” Gewend om met mensen in crisissituaties om te gaan vroegen we aan de ontheemden wat niemand aan overlegtafels nog had gevraagd: “Wat hebben jullie nodig?”

Het antwoord was eenvoudig. Ze wilden dat hun kinderen snel naar school konden, dat ze de taal mochten leren en dat ze weer aan het werk konden.

Mijn vriendin had een groot netwerk en was ook nog eens hele lieve oma , ik had ervaring in de kraamzorg en het werken met moeders en kinderen. Dus we besloten niet te wachten tot “het systeem” iets regelde. We gingen het zelf doen. Ervaring en talent genoeg.

En daar gingen we in voorjaar 2022. Een paar vrouwen met wat tijd over werden kinderoppas, later ook taaltrainer. Samen met een Russische vrouw – ook gevlucht – die hielp met vertalen. Zo ontstonden de “Granny’s from Heaven.” Vier dagdelen per week vingen we kinderen op, zodat hun moeders taalles konden volgen. Mogelijk gemaakt door een zorgorganisaties en kerken die het wel begreep en ons tot op de dag van vandaag blijft faciliteren met ruimtes en meedenken.

Dus het werkte.

Nu, een paar jaar later, werken de meeste van deze moeders.  Een aantal werken in de zorg bij de zorgorganisatie in de ouderenzorg. In de laagst betaalde functies terwijl ze vaak in hun eigen land met hun hoge opleidingen werkten in de financiële wereld of als manager in het bedrijfsleven. Hun kinderen spreken Nederlands en gaan gewoon naar school.

Onze zorg en steun gaat inmiddels allang niet alleen naar Oekraïense gezinnen, maar ook naar andere nieuwkomers.

We helpen waar we kunnen – als vrijwilliger op taalscholen, met bijlessen, tekenlessen aan de keukentafels of in de tuinen van  onze huizen,  we helpen met het vinden van laptops, fietsen of stageplekken. Deze week is een van ons zelfs begonnen met taaltraining op een middelbare school.

De Oekraïense gezinnen noemen ons inmiddels liefkozend de Nederlandse baboesjka’s.
Wij noemen onszelf gewoon: brave burgers.

En eerlijk? Het is echt niet alleen geven en goed doen. Daar doen we het ook niet voor.  We krijgen er zó veel voor terug. Nieuwe vrienden, warmte, kennis over andere culturen – zonder dat we ervoor hoeven reizen. Op onze leeftijd vaak een gedoe en daarbij dat hebben we allemaal al zoveel kunnen reizen in ons leven. Gewoon als toerist en niet als ontheemde.

We hebben geleerd dat vrede en voorspoed niet vanzelfsprekend zijn.

Maar nog meer hebben we geleerd: Het had ook andersom kunnen zijn.

Wij hadden het kunnen zijn. Onze kinderen. Onze kleinkinderen.

En juist dan geldt: Een goede buur is beter dan een verre vriend.

 

– Siska de Rijke