Doet
De ‘oo’ wordt door bijna iedereen die niet uit Nederland komt, uitgesproken als ‘oe’. Dan wordt de dood doet en al snel een spraakverwarring. Dat leer ik allemaal als vrijwilliger die her en der wat doet voor vluchtelingen in mijn gemeente Gooische Meren.
Drie maanden lang ving ik daarom, twee dagen per week, samen met een groep enthousiaste vrijwilligers, kinderen op die niet naar school kunnen omdat er geen plek is voor hen.
De vader van hem doet, zegt een klein meisje van 8 jaar in mijn “klasje”. In haar taal worden niet veel werkwoorden gebruikt. Iemand is daar niet dood. Maar gewoon dood. Ze heeft het vaak over de dood. Laatst is haar grootvader overleden. In het thuisland. Hij is begraven zonder haar en haar ouders. Het afscheid is daardoor gehavend, nog lang niet voltooid. Ze vertelt iedere week weer dat hij doet. Al 8 weken lang. Ik besef dan hoe belangrijk rituelen zijn. De cirkel kunnen rondmaken met verhalen, muziek, speciaal eten en een “wegbrengen van een geliefde”. Met veel wierook, mist door drank en andere spiritualiën.
De jongen, nog maar 9 jaar, heeft net uitgelegd waar zijn vader is. Hij beeldt het uit met een denkbeeldig geweer in zijn handen, terwijl hij door het lokaal sluipt. Nee, zijn vader is niet dood. Zijn vader doet er alles aan om een oorlog te winnen. Hij vecht. Of dat een keuze is vertelt het verhaal niet. Of de vader niet liever met zijn zoon zou voetballen en samen met hem de krokusjes zien opkomen waar wij samen met de kinderen over zingen, hier in ver vreemd land in een taal die geen enkele overeenkomst heeft met hun moedertaal, vertelt het verhaal ook niet. Dat verzin ik er helemaal zelf bij terwijl ik de tranen achter mijn ogen voel.
Ik probeer de verhalen te laten vertellen door de kinderen. Ze de woorden laten vinden. Als het woord doet valt, doe ik niet zo veel dan enkel laten vertellen. Ik verbeter even, zoals ik de hele dag doe en vertaal doet naar dood. En verder knik ik en stuur beetje bij. Ik laat de vechtende vader herrijzen uit de dood en hem springlevend zijn. Hij is een sterke man en ik knijp bewonderend in de kleine dunne armpjes van de jongen die zijn spierballen laat zien. Net zo sterk als papa. Ik zwaai met het meisje naar de hemel: dag Opa, rust zacht. En daarna gaan we lekker buitenspelen. Of Justdancen. En we eten op vaste tijd op de ochtend samen mandarijnen en soms ook hele onverantwoorde taartjes. Deze week schilderen we eieren. Met waterverf dan wordt zelfs het zwart een zachte kleur.
Deze kinderen leven in een voor mij, en tot voor kort ook voor hen, abnormale wereld. Ze zijn gered door hun ouders die ze naar een land hebben gebracht waar geen oorlog woedt, geen dictators hun eigen bevolking ombrengen en waar de knokploegen die mensen bedreigen martelen zich nog enkel manifesteren op snelwegen waar ze straffeloos asbest mogen dumpen of met fakkels en stront voor huizen van politici staan. Klein bier vergeleken met wat er in hun landen gebeurt.
Dit zijn de kinderen van mensen die door sommige van mijn landgenoten, veelal met een omgekeerde vlag aan hun gevel, worden betiteld als gelukszoekers.
Daar hoef je niet zo hard voor te lopen en al helemaal niet naar om te kijken is de leidende gedachte daar. Er wordt door de verantwoordelijken machthebbers in mijn woonplaats op zijn zachts gezegd, geflirt met deze stroming. En dus er wordt dan ook niet heel hard gelopen voor deze kinderen. Deze kinderen kunnen niet naar school omdat veel scholen hun deuren dichthouden en dat wordt toegestaan door de machthebbers. Deze kinderen moeten naar hun “eigen” scholen met lange wachtlijsten want uiteindelijk als puntje bij paaltje komt, komt voor de welgestelde keurige gooise burgerman, toch het eigen kind eerst. En zij blijven graag onder zoals dat heet “ons eigen soort mensen” in mijn woonplaats. Natuurlijk hebben de bestuurders en hun achterban echt wel begrip voor mensen die anders leven. De kloof tussen platteland en stad is hier echt niet zo groot.
Want.
De kinderen van de boeren, dat is pas erg. Die hebben geen toekomst. Er zijn mensen die rond toeteren dat de kinderen uit mijn klasje en hun ouders, de boeren hun land willen afpakken zodat zij daar kunnen gaan wonen. De werkelijkheid kan je soms wat stompzinnigheid betreft niet verzinnen. Maar men vreet het ook hier in Hoog Opgeleid Sjiek Gooi als zoete koek.
Nederland doet.
Ik zwem tegen de stroom in. Ik sluip soms met denkbeeldige geweren door mijn omgeving om kwade geesten te verjagen. Ik zwaai naar de hemel en vraag mijn oude opa om hulp.
En ondertussen doe ik maar wat.
Want zolang ik leef, kan ik niet doet.
En blijf ik fluisteren in de nek van alle enge buren en bestuurders: “Wen er maar aan!”
Siska de Rijke





